Van oorlog naar begrip: een familieverhaal op 4 mei
4 mei-toespraak 2024

Monique van Buul in de St. Bartholomeuskerk (Foto: Gerard van Steijn).
Geachte dames en heren, meisjes en jongens,
Herdenken op 4 mei is in een familie waar de oorlog zijn sporen heeft nagelaten vanzelfsprekend, maar voor veel Nederlanders is dat al lang niet meer. Door onze verhalen door te vertellen, hopen we dat ook de volgende generaties zich blijven realiseren wat oorlog en vrijheid betekenen opdat ook zij gemotiveerd blijven om dit stokje van ons over te nemen. Daarom wil ik graag het volgende verhaal met u delen:
Mijn vader Rudolf van Buul was 21 jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Hij heeft er nooit over willen praten, sterker: als ik hem er naar vroeg, dan werd hij boos. Wat ik u nu vertel zijn wij pas jaren na zijn dood te weten gekomen.
Mijn vader vervult zijn militaire dienstplicht als Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnenvalt. Na de capitulatie van Nederland op 15 mei wordt hij krijgsgevangen gemaakt en opgesloten in het ‘voetbalstadion’ van Wageningen. Als hij na negen maanden vrijkomt loopt hij terug naar huis in Eindhoven. Vrijwillig of onvrijwillig komt hij op Personele Zaken bij Philips te werken, de gloeilampen-, radio- en transformatorenfabriek welke producten de Duitsers hard nodig hebben voor oorlogsvoering. Als zij het verzoek krijgen het personele archief van alle Joodse werknemers aan de Duitse commandant te overhandigen, kunnen mijn vader en zijn collega’s net op tijd al deze dossiers in de kachel verbranden. Frits Philips komt in conflict met de bezetter en belandt in mei 1943 in Kamp Vught.
Wat er precies met mijn vader en zijn collega’s is gebeurd, weten wij niet. Wat ik wel weet is dat de Tweede Wereldoorlog bij hem grote frustratie en een ongekende moffenhaat teweeg heeft gebracht. Dit was zijn visie. Voor de jongeren onder ons: in de oorlog werden Duitse soldaten spottend ‘moffen’ genoemd, omdat ze een mof droegen, een koker van bont om de handen warm te houden. Na de oorlog werden alle Duitsers uitgescholden voor ‘moffen’.
Als mijn ouders in 1951 vanuit Brabant naar Voorhout verhuizen, bemerken zij dat de Voorhouters de Tweede Wereldoorlog heel anders hebben beleefd. Ze hebben hier geen honger geleden. De meesten hebben een moestuintje, kippen en/of een varkentje achter op het erf of op een stukje land van de baas. Een Duitse eenheid is gelegerd nabij de Noordwijkerhoek. Ook zij hebben eten, drinken en goederen nodig. Dus wordt er handel gedreven met de bezetter, hoewel met stil verzet, want als men de vijand kan belazeren, dan grijpt men elke kans aan. Goederen, fietsen, paarden, wagens worden door de vijand geconfisqueerd en als het kan weer net zo hard terug gestolen. Er worden razzia’s gehouden waarbij jonge mannen worden opgespoord om in Duitsland tewerkgesteld te worden, de arbeitseinsatz. Zonen en dochters overlijden ten gevolge van de oorlogen in Nederland en in Nederlands-Indië. Er wonen NSB-ers in het dorp die illegale activiteiten kunnen verraden. Hierdoor worden families en zelfs straten gespleten. Duitse soldaten worden ingekwartierd bij Voorhoutse gezinnen. Jonge jongens zijn het. Moederlijke gevoelens, ook voor deze jongens, zijn niet tegen te houden, want in pyjama zijn we uiteindelijk allemaal gelijk. Niettemin heeft ook in Voorhout de Tweede Wereldoorlog geleid tot frustraties en moffenhaat, voortkomend uit een totaal andere blik op de wereld van toen.
Mijn vader ziet dat in het naoorlogse Voorhout de houding tegenover Duitse toeristen die de Bollenstreek komen bezoeken en in ons dorp een Zimmer Frei vinden, al vrij snel niet meer vijandig is. De handel wint het van de haat. Moffen worden Duitsers. Duitsers worden buren. De Voorhouters veranderen mijn vaders blik. Aan het eind van zijn leven in de jaren zeventig realiseert hij zich dat de meerderheid van de Duitsers ook maar mensen zijn, mensen die hebben moeten vechten voor iets waar ze mogelijk zelf niet eens achter stonden.
Het duurt één tot twee generaties voordat een land in oorlog weer vrienden kan worden met een voormalige bezetter. Het is nauwelijks voor te stellen dat we anno 2024 op aarde met meer oorlogen en oorlogsgeweld te maken hebben dan in 40-45. Dat maakt ons nederig en het vergroot het belang dat we jaarlijks op 4 mei onze slachtoffers moeten blijven herdenken en op 5 mei onze vrijheid vieren.
Dames en heren, meisjes en jongens, de manier van herdenken wordt geleid door de blik die men erop heeft. Iedereen mag het doen op zijn eigen manier. Dat is de vrijheid die wij ons in Nederland kunnen permitteren. Vandaag leggen wij namens de HKV niet alleen bloemen bij het slachtoffermonument op het Raadhuisplein, maar ook op het Kolpingmonument naast deze kerk, op de twee oorlogsgraven van Gerrit van Rheenen en Boudewijn Timmers op het kerkhof bij de Kleine Kerk, bij het monument van de BNS en bij de struikelsteen voor de gevel van de Plus voor de Joodse Frits Hirschfeld die bij de zusters in De Agnes een schuilplek vond.
Dit doen wij vanuit onze eigen visie, niet alleen om de oorlogsslachtoffers te herdenken, maar ook als teken van verzet tegen het ontnemen van vrijheid waar ook ter wereld.
Dank u voor uw aandacht namens de Historische Kring Voorhout
Voorhout, 4 mei 2024 Dodenherdenking, Bartholomeuskerk
Mevr. dr. M.M.C. van Buul

